De Danakil Depressie: op reis naar de mooiste hel op aarde

Daar staan we dan, temidden zwavelhoudende warmwaterbronnen, borrelende lavameren en stinkende zuurpoelen. De lucht is gevuld met giftige gassen, de hitte voelt als een slag in het gezicht. We bevinden ons in de Danakil Depressie, een gebied ten noorden van Ethiopië dat ook wel eens ‘de poort naar de hel’ genoemd wordt. We gaan die bijnaam niet betwisten: het ziet er zonder meer apocalyptisch uit. Danakil is één van de meest onherbergzame plaatsen op aarde, je vraagt je af waarom je er in godsnaam heen zou willen. En toch (of beter: net daardoor) is het één van de topbestemmingen voor reizigers die naar Ethiopië trekken.

Ethiopië mag dankzij de hooglanden tot de hoogst gelegen landen van Afrika gerekend worden, goed voor gemiddeld zo’n 2000 meter boven de zeespiegel. In de Danakil Depressie donder je evenwel meteen naar een diepte van meer dan 100 meter onder de zeespiegel. Het is de laagste plek in Afrika, en met dagtemperaturen van 50° Celsius meteen ook de warmste plek op aarde. En we voegen er nog een record aan toe: gelegen op de grens van Ethiopië en Eritrea en pal op een driedubbele kruising van tektonische platen, is het ook één van de meest extreme en onherbergzame landschapen die er bestaan. In dit mensvriendelijk gebied zijn het de Afar die het voor het zeggen hebben: ze hebben er al eeuwenlang de zouthandel in handen, al leven ze er wel onder moeilijke omstandigheden.

Mek’ele

Ons Danakil-avontuur begint in Mek’ele, de hoofdstad van de Tigray regio. Het is eind december, we zijn al een paar weken door Ethiopië aan het reizen en met een kampeeravontuur in de Danakil Depressie willen we het jaar met een – hopelijk – bijzondere ervaring afsluiten.

Vanuit Lalibela – onze vorige stop – was het meer dan 10 uur bollen in een 4×4 truck om Mek’ele te bereiken. Niet dat beide steden zo ver van elkaar verwijderd liggen, een kleine 320 kilometer. Maar met slecht onderhouden wegen en een truck die geen topsnelheden haalt, ben je al vlug ettelijke uren onderweg. Voor alle duidelijkheid en om misverstanden te vermijden: de truck waarmee we door Ethiopië trekken is een gevalletje ‘luxe avontuur’ want door een Britse overland reisorganisatie omgebouwd tot een min of meer reisvriendelijk voertuig, met comfortabele zeteltjes, tafeltjes en zelfs een koelkast. Maar laat je vooral niet misleiden: heb je pech om een zitje achteraan te hebben, dan wordt je zelfs op vlakke wegen behoorlijk door elkaar geschud. Vooral na een lange rit zijn blauwe plekken en lichte kneuzingen niet ondenkbaar.

Ons hotel in Me’kele.

Ook nu staan we na al die uren over hobbelige wegen een beetje wankel op de benen. Maar: Mek’ele blijkt een kleine en aangename stad, onze hotelkamer ziet er helemaal oké uit (met als meevaller een douche waar je zonder gevaar voor je leven gebruik van kunt maken, geen knetterende elektriciteitskabels te zien, een uitzondering). Er rest ons een hele namiddag en avond om te chillen en het stof van de rit van ons af te schudden. Veel staat er niet op ons programma: wat inkopen doen voor onze kampeertrip in de Danakil Depressie en dollars omwisselen in birr, de nationale munt van Ethiopië. De trip naar Danakil zal gebeurden in konvooi en aangezien zowel de chauffeur/gids als de (verplichte) militaire escorte op het einde van de reis een flinke fooi zullen verwachten, kunnen we maar beter voorzien zijn.

Ook al trekken we voor langere tijd door Ethiopië, tot nu toe hebben we onze dollars maar mondjesmaat naar birr omgeruild, om praktische redenen. Alleen al het equivalent van 5 dollar levert een flink stapeltje birr-biljetten op, het is altijd een gesukkel om de stapels bankbiljetten veilig te kunnen opbergen.

De makkelijkste manier om geld te wisselen, is via de zwarte markt. Neen, het mag niet en je loopt het risico dat je valse biljetten in je handen gedraaid krijgt, maar langs de officiële weg is het vaak een tijdrovend en frustrerend gedoe. Bovendien is het allesbehalve moeilijk om ‘the man in the street’ te vinden; vlak naast ons hotel – en recht voor een bank notabene – hangen een paar jongeren rond die weinig subtiel met bankbiljetjes wuiven.  We wuiven even weinig subtiel terug, spreken een goede koers af en de zaak is in no time beklonken. Tijd om Mekele verder te ontdekken.

Hoewel er in de buurt van Mek’ele een aantal prachtige rotskerken te vinden zijn (alleen te bereiken via een klauterpad langs de rotsen, geen aanrader als je hoogtevrees hebt), is het stadje vooral bekend als het centrum van de zouthandel in Ethiopië. Wanneer we door de straten van Mek’ele wandelen, valt op dat het inderdaad een bedrijvig plekje is. Busjes, taxi’s, boerenkarren, fietsers en flink wat toeterende bajaj’s (Afrikaanse riksja’s) vechten om een stukje van de weg, de voetpaden zijn ingenomen door handelaars die hun waren op de stoep verkopen. Ben je op zoek naar namaak sportschoenen, flashy zonnebrillen of plastic horloges, dan is dit waar je moet zijn.

Zicht op Mek’ele in de verte: een kleine maar bedrijvige stad.

Opvallend is dat ook hier de Chinezen goed ingeburgerd zijn. Sinds een aantal jaar stampen Chinese ondernemers bouwbedrijven en industrieparken uit de Ethiopische grond; fabrieken naar Chinees model waar Ethiopiërs aan (heel) lage lonen tewerk gesteld wordt. Ze naaien er kleren voor H&M of assembleren er auto’s voor Volkswagen. In het straatbeeld vertaalt de Chinese aanwezigheid zich door reclameborden in Aziatisch schrift en kleine eethuisjes waar alleen de Chinese migrant mee aan tafel schuift. Bizar genoeg hebben wij tijdens onze reis door Ethiopië amper een Chinese medemens in real life ontmoet, behalve dan in een Aziatische supermarkt in Adis Abeba.

Mek’ele is in elk geval een bruisende stad, met of zonder Chinese invloeden. En in tegenstelling tot de dorpjes in het binnenland zijn ze hier wel gewoon om om nu en dan buitenlandse toeristen te ontmoeten; de stad is traditioneel de uitvalsbasis voor wie naar Danakil wil reizen.

Rest nu alleen nog een lekker eettentje te vinden en ook nu weer is het geluk aan onze kant: vlak om de hoek van ons hotel zit op twee hoog een klein restaurantje verborgen dat voor één keer geen rijst, pasta of injera (het nationale gerecht van Ethiopië, een plat sponsachtige pannenkoek) serveert, maar zowaar heel lekkere belegde broodjes en vers gemixte fruit- en groentesappen. Klinkt sober, maar op culinair vlak zijn we tot nu toe nog niet bijster verwend geweest, de broodjes zijn een echte traktatie. De geldbeugel en het buikje goed gevuld, een goed bed dat op ons wacht én een warme douche… We kunnen er weer even helemaal tegenaan

In konvooi onderweg

Omdat er in het verleden veiligheidsincidenten waren waarbij toeristen gedood werden, is reizen naar Danakil alleen toegelaten in konvooi, en met gewapende militairen. Een aantal jaar geleden was de Danakil Depressie een regio waar nauwelijks wetten golden en waar rivaliserende stammen het wel eens tegen elkaar opnamen. Buitenlandse reizigers bleven er maar beter weg: in 2012 werden 5 Europese toeristen gedood en in 2017 overleefde een Duitse toerist een schietincident niet. Sindsdien mogen reizigers het gebied enkel bezoeken via bewapende konvooien, bestaande uit minimum 2 jeeps, een lokale gids en een militair.

In tegenstelling tot veel andere auto’s die we hier al gezien hebben, blijken ‘onze jeeps’ netjes gewassen en in prima staat, ook al hebben ze al wat jaren op de teller. Op het dak zijn enkele matrassen gebonden: onze bedjes voor de komende nacht. De chauffeurs zijn meteen ook onze gidsen (toch in theorie), en ze hebben er zin in. Er wordt heftig met handjes geschud en vriendschappelijk op de schouders geklopt. Het zijn alle jonge kerels, behalve één oudere man met witte haren en een grijze baard. Met korte instructies houdt hij de troep jonge wolven goed in het gareel, hij is duidelijk de aanvoerder van de bende. Zelf krijgen we meteen het bevel onze rugzakken in zijn jeep te droppen; hij heeft ons als zijn passagiers uitgekozen en dat vinden wij helemaal goed. Zijn Engels lijkt in elk geval – in tegenstelling tot dat van de andere chauffeurs – behoorlijk goed, prima dus.

We staan te popelen om te vertrekken richting Danakil, maar eerst volgt nog een verplichte veiligheidsbriefing: dat we nooit op eigen houtje mogen afdwalen van de groep, dat we altijd water bij ons moeten hebben, dat we bij symptomen van hitteslag meteen voorzorgen moeten nemen… Niets wat we eigenlijk nog niet wisten, maar goed, een refresh kan nooit kwaad.

Ontmoetingen tijdens een fotostop, en ze wil graag op de foto.

Tegenvaller is wel dat het bezoek aan de vulkaan Etra Ale (vaak onderdeel van dergelijke excursies) onmogelijk blijkt. De vulkaan is onrustig, klaar om helemaal los te gaan en het is er verre van aangenaam, met dikke lavawolken en een constante duisternis vanwege het stof dat de lucht in gespuwd wordt. Het had één van de hoogtepunten van de trip moeten zijn, we zouden gaan kamperen aan de rand van de vulkaan en die bij zonsopgang beklimmen, maar helaas. “Etra Ale not good today”, zegt onze chauffeur nog eens wanneer we uiteindelijk kunnen vertrekken, en hij haalt verontschuldigend zijn schouders op. “But I have a very good jeep”, voegt hij er grijnzend aan toe. Duidelijk een man die zijn prioriteiten kent.

De weg van Mek’ele naar Hamed Ela, het dorp in Danakil waar we gaan overnachten, belooft alvast veel goeds. Tijdens deze reis heb ik me bijna dagelijks verbaasd over hoe groen Ethiopië wel is en hoeveel variatie de landschappen kennen, en dat is nu niet anders: heuvelachtig en minder weelderig dan de rest van het land, maar verrassend mooi en een beetje ruig.

We passeren verschillende Tigre dorpjes, kinderen roepen ons vrolijk na, de weg wordt almaar pittiger en steiler. Hier en daar houden we een korte stop; meestal hebben we geen idee waarom, we vermoeden dat de pauzes vooral een initiatief zijn van onze chef/chauffeur die zijn sigaretje wil roken. Het is in elk geval wel aangenaam om de benen te kunnen strekken en enkele foto’s te nemen.

Het kleine zusje.

Zoals gewoonlijk in Ethiopië – en quasi in elk Afrikaans land – duiken er in the middle op nowhere plots mensen op die iets willen verkopen/bedelen/een praatje slaan/zomaar even komen kijken.

Ook nu weer staan er tijdens een stop plots twee jonge meisjes bij ons. Een dorp is nergens te bekennen, het is ons een mysterie waar ze vandaan komen. Duidelijk is wel dat ze straatarm zijn, hun kleren zijn gescheurd en ze lopen op plastic sandaaltjes die stuk zijn. We proberen wat te babbelen en leren dat ze zusjes zijn en ergens in de buurt wonen. Een foto nemen is geen probleem, integendeel, ze vinden het leuk om te poseren en schaterlachen als we ze de foto tonen. Naar school gaan ze niet, wellicht is dat te duur of te ver weg.

Het leven van plattelandskinderen bestaat veelal uit het hoeden van vee, het sprokkelen van hout of het passen op jongeren broers of zusjes. De Ethiopische overheid mag de laatste jaren flink geïnvesteerd hebben in het onderwijs toch zijn er nog heel veel kinderen, vooral in afgelegen dorpjes, die geen enkele vorm van onderwijs genieten of enkel het basisniveau deels afwerken, ook al geldt er tegenwoordig een algemene leerplicht. En helaas zijn het nog steeds vooral de meisjes die door hun families van school gehaald worden.

Berhale, de voorlaatste stop

De rit naar Hamed Ela zal zo’n 6 uur duren en we houden een langer tussenstop in Berhale. Die pauze is niet alleen welkom maar ook noodzakelijk: hier kunnen onze permits opgehaald worden (iedereen die door wil reizen naar Danakil, is verlicht zo’n vergunning bij zich te hebben) en stappen ook de gewapende scouts mee in de jeep.

Berhale mag dan wel een klein stoffig stadje zijn, het is wel een belangrijke schakel in de zouthandel. Kameelkaravanen die helemaal van de zoutmijnen in Danakil komen, lossen hier hun lading zout op vrachtwagens waarna deze verder vervoerd worden naar de hooglanden. Geïmproviseerde restaurantjes en winkeltjes doen gouden zaken dankzij doorreizende truckers en reizigers. Wij profiteren er meteen van om lastminute nog een fles wijn in te slaan, die willen we ’s avonds kraken. Voor de rest hangen we maar wat rond, wachtend tot onze karavaan zich weer op gang trekt.

Niet dat het wachten vervelend is: elke stop in een klein stadje of dorp is telkens weer een belevenis. Kinderen dagen ons uit om te spelen, ze noemen ons farangi (blanke man of buitenlander) en willen graag enkele woordjes Engels oefenen. Groepjes jongeren komen nieuwsgierig bij ons staan maar durven geen woord zegge en de vrouwen reageren vol bewondering en ontzag op de tattoos van Jempi. Vaak maken ze er nog snel een kruisteken bij ook. Sommige willen weten of hij een tovenaar is, of een belangrijke priester misschien met al dan niet goede/kwade bedoelingen?

Refugees versus buitenlanders op zoek naar adrenaline

We vatten onze tocht verder aan, de wegen worden smaller en kronkelen meer, de heuvels worden bergen, bomen worden struiken en het lijkt meer en meer op een woestijn. We passeren een vrachtwagen die gekanteld op de weg ligt; wellicht iets te snel of te onhandig de bocht genomen. Of de mensen die bij de truck staan ongelukkige passagiers zijn of kijklustigen die wel van een beetje sensatie houden, is niet duidelijk.

We zijn nu dicht bij de grens met Eritrea en onze gids/chauffeur wijst ons op een aantal tentjes in de verte. “Refugees”, zegt hij. Het is moeilijk om uitte maken of het al dan niet om vluchtelingen gaat, vanuit de verte lijkt het een dorpje als een ander. Maar de jeeps en trucks van UNHCR die we regelmatig voorbij zien rijden, wijzen er inderdaad op dat dit een – kleiner – vluchtelingenkamp is. De vluchtelingen zijn vaak mannen die de niet alleen de dictatuur maar vooral de dienstplicht in Eritrea willen ontlopen; die duurt ‘zo lang als nodig’, soms meer dan tien jaar, en de dienstplicht vertaalt zich meestal in dwangarbeid. Ik kan alleen maar bedenken hoe wanhopig je moet zijn om je thuisland te ontvluchten naar een plek zo heet en desolaat als deze regio, een plek waar je bovendien niet welkom bent. Dat wij hier als ‘rijke’ buitenlanders met een mooie jeep rondrijden op zoek naar adrenaline en avontuur, is op z’n minst confronterend.

Het zoutmijnwerkersdorp Hamed Ela

Tegen de late namiddag arriveren we eindelijk in Hamed Ela, het zoutmijnwerkersdorp waar we de nacht zullen doorbrengen. Veel stelt het niet voor: een paar hutjes van takken, canvas en golfplaten, meer is het niet.

Hamed Ela, dorpje van de zoutmijnwerkers en de plaats waar wij gaan kamperen.

Onze kampeerplaats is een vlak, steenachtig terrein met als enige voorziening gammele bedjes van hout en touw. Een toilet is er niet, maar gezien mijn ervaring met de toiletten op het Afrikaanse platteland geef ik sowieso de voorkeur aan het bush toilet. Alleen zal het hier dan dubbel uitkijken zijn voor de plaatselijke fauna: ik heb niet bepaald zin om mijn blote billen te flashes aan een nieuwsgierige schorpioen. 

Matrasjes op de bedjes en klaar, meer moet dat niet zijn.

Onze jeep staat aan de rand van het terrein geparkeerd. We plaatsen onze bedjes strategisch rond de wagen en leggen er matrasjes op, that’s it, kamp opgezet in een paar seconden. En maar goed ook want onze chauffeur/gids maant aan snel te zijn. “Quick quick”, beveelt hij. Voor we het weten zitten we opnieuw in de jeep en rijden we, aan topsnelheid deze keer, de woestijn in.

Off road naar Lake Assal

Van een weg is geen sprake meer: we rijden off road en behalve enkele nauwelijks zichtbare sporen van vroegere passanten lijkt er nauwelijks een referentiepunt om de goede richting te vinden. Hier en daar liggen karkassen van kamelen en ezeltjes verder weg te rotten, het zijn de resten van onfortuinlijke dieren die ingezet werden voor de zoutkaravaan en onder de hitte en het zware werk bezweken.

Voor de rest is er alleen een zinderende hitte en een eindeloze maar onvoorstelbaar mooie witte zoutvlakte. Dit is Lake Assal (ook wel Lake Karum genoemd), een immens zoutmeer dat bestaat uit een droog en nat gedeelte. En we zijn hier net op het goede moment: de zon staat al wat lager en de reflectie op de zoutpannen zorgt voor een magisch effect. 

Ongelooflijk ook dat dit kale gebied bekend staat als cradle of mankind . Het maakt deel uit van de Great East African Rift Valley en is de plek waar in 1974 de oermens Lucy de Australopithecus gevonden werd. Ze leefde hier zo’n 3,18 miljoen jaar geleden en ongetwijfeld zag het er toen voor Lucy helemaal anders uit dan nu. Onze beroemde oermens blijkt immers ongelukkig uit een boom gevallen te zijn, wij kijken aan tegen een uitgestrekte vlakte met enkel hier en daar een paar rotsen, voor de rest is alles bedolven onder een laatje zout. Voor de liefhebbers: Lucy verblijft nog steeds in Ethiopie; je kunt haar bezoeken (of toch wat er van haar over is) in het Nationaal Museum van Ethiopië in Addis Abeba.

Overal is de aarde bedekt met een dikke laag zout.

Het voelt vreemd om over de witte grond te wandelen; het zout knispert onder onze voeten en de weerkaatsing van de zon op de wit vlakte doet bijna pijn aan de ogen. Ware het niet bloedheet geweest, dan hadden we evengoed op de Noordpool kunnen staan. “En met onze gids die met zijn witte baard op de kerstman lijkt, voelen we ons toch een beetje in de sfeer van eindejaar”, zegt Jempi. Ik kan amper geloven dat het al eind december is en we binnen een paar dagen het nieuwe jaar zullen inzetten. In klein gezelschap weliswaar want Ethiopië houdt een andere kalender aan. Van kerstmis of het nieuwe jaar is hier nog lang geen sprake, wij zullen in ons eentje moeten vieren. Hoe dan voor ons een bijzonder eindejaar worden.

Wandelen op zout voelt een beetje vreemd aan, het knispert behoorlijk onder je voeten.

Ondertussen zijn we op de plek aangekomen waar grote gaten in de zoutlaag geboord werden; onder een zoutkorst van ongeveer 20 centimeter borrelt warm water. De gaten zijn genoeg voor een man of 5 om er een duik in te nemen en dat is precies wat wij doen. Kleren uit, badpak aan en hup, het zilte zout in.

Het zoutgehalte is hier nog hoger dan in de Dode Zee. Wie daar ooit ging zwemmen, weet dat je hoe dan ook vanzelf boven drijven, alleen is dat niet altijd in de positie die je verkiest. Het verft wat acrobatie om van buiklig naar de meer comfortabele ruglig te keren zonder daarbij de vlijmscherpe randen aan te raken. En wat de spreekwoordelijke frisse duik betreft: alsof je in een heet bad ploetert, niets fris aan, wel integendeel. Het voordeel van de zenderende hitte in Danakil is wel dat je op een paar seconden al helemaal opgedroogd bent. Ik voel me behoorlijk gepekeld en het zout brand op mijn lippen. Maar goed, zo’n zoutbad schijnt dan weer uitstekend te zijn voor de huid, je moet er iets voor over hebben.

In de verte zakt de zon dieper weg, de schaduwen worden langer en de hitte neemt iets af. De zonsondergang is prachtig, we gaan er even bij zitten om ten volle van het zicht over de glinsterende vlakte en de stilte te genieten. Het ideale moment om die fles wijn open te trekken: die is veel te warm en de smaak nergens naar, maar het is het idee dat telt. Een moment om in te kaderen.

Mooiste moment van de dag: de zonsondergang.

Naar Dallol

Het is nog midden in de nacht wanneer onze gids ons wakker maakt. Toegegeven, het was niet de meest geweldige nacht. De wankele bedjes in open lucht lagen verrassend comfortabel, maar ’s avonds was er nog een serieuze wind – genre  haardroger op het maximum hitte – komen opzetten en zand en zout schuurden pijnlijk langs ons gezicht. Er zat niets anders op dan diep in de lakenzak weg te duiken en de wind zoveel als mogelijk proberen te negeren. De sterrenhemel daarentegen was wel magisch; geen spectaculaire melkweg maar evengoed een magisch plafond van fonkelende lichtjes, zalig om op die manier buiten te kunnen slapen (als je het tenminste lang genoeg uithield om de zout- en zandstorm te trotseren).

De koplampen van de jeep zorgen voor een straaltje licht in de duisternis, letterlijk.

Onze gids heeft weinig zin in een rustig ontwaken. We moeten op en voortmaken, en vlug alweer, voor de rest is hij nogal zwijgzaam. De motor van de jeep draait al, we hebben amper tijd om onze rugzakken en wat water mee te nemen.

We rijden door complete duisternis, alleen de koplampen van de jeep zorgen ervoor dat we een paar meter ver kunnen zien. De chauffeurs zetten er vaart achter, het zout knettert met veel lawaai weg onder de wielen.

Na een half uur rijden houden we halt en we begrijpen meteen waarom onze gids het tempo opdreef: werden we gisteren op een zonsondergang getrakteerd, dan zien we nu hoe de zon langzaam opkomt. De horizon is één vlakke, vlijmscherpe lijn, de zon een rode vuurbol. Bij elke seconde die verstrijkt, voelen we hoe de aarde opwarmt. En dan is de zon volledig op en is niet alleen het licht maar ook de verschroeiende hitte weer in alle hevigheid terug. We staan te puffen van de warmte.

Een eindeloze zonsopgang.

Ook binnen in de jeep voelt het aan als een brandend fornuis; in deze hitte vergt de airco teveel van de batterij. Alle raampjes open dus, de tocht die binnen waait is heet maar zorgt toch voor een beetje afkoeling.  

Het einde van de wereld

En dan zijn we er: de Dallol vulkaan, met zijn beroemde buitenaardse vormen en kleuren en hete zwavelbronnen absoluut de meest bizarre plek op aarde. Het is nog een flinke wandeling over een steile heuvel (niet evident in deze hitte) vooraleer we het hart van de vulkaan bereiken. Maar wat ik dan zie, overtreft mijn stoutste verwachtingen: een concentratie van de meest kleurrijke verzameling van allerlei soorten neontinten en oppervlakken, sommige rotsachtig, sommige extreem droog en andere vochtig en modderig.

Alsof je op een andere planeet bent.

Evident om hier te wandelen, is het zeker niet. Bij elke stap die ik zet, weet ik niet wat ik mag verwachten. Soms is de grond solide en hard, dan zink ik weer weg in het rode en gele (giftig!) mengsel. Het is eerder voorzichtig waggelen dan stappen.

Dallol is een vulkaan die nooit tot uitbarsting gekomen is. Grondwater en magma komen hier samen tot een borrelende massa van zwavel, ijzeroxide, zout en andere mineralen. Om ons heen kookt de aarde. Waterbubbels spatten uit kleine pastelkraters, de gassen die vrijkomen stinken als de pest en branden aan de ogen. Alsof de wereld uiteen valt.

Dallol is bloedmooi en bijzonder maar ook enorm onheilspellend, geen plek waar je lang wil rondhangen. En typisch: terwijl wij ons verslikken in de stank en amper weten waar we onze voeten moeten zetten, zit een Afar rustig op de rand van zo’n gifpoel zijn mobieltje te checken (of een spelletje te spelen, het zou ons verbazen indien hij hier verbinding heeft).

We stappen verder en wanneer we de stinkende gassen niet meer ruiken, zijn we plots ook in een heel andere wereld gearriveerd: een plateau van grillige bergen die een beetje aan de canyons in Utah doen denken, zij het dan in het klein. Dit zijn rotsen die geen rotsen zijn, maar zoutpilaren. Hoe bizar dat op zo’n relatief kleine oppervlakte zo’n diverse landschappen gevormd werden.

Rotsen die geen rotsen zijn maar zoutbergen.

Het zout koninkrijk van de Afar

De Afar, trots en nergens bang van
De Afar staan bekend als een trots en hard volk dat nergens bang van is. Zo moesten mannen eerst ten strijde trekken om te doden vooraleer ze mochten trouwen, een gebruik dat vandaag gelukkig achterhaald is. Sommige mannen vijlen hun tanden tot scherpe punten, het is één van de schoonheidsidealen bij de Afar. Afar leven voornamelijk in de Danakil woestijn in Eritrea, Ethiopië en Djibouti.

Hoe mooi en dramatisch de Danakil Depressie ook moge zijn, voor sommige mensen is het hier een hel op aarde. Dat beseffen we wanneer we passeren langs de zoutpannen waar een groep zoutmijnwerkers aan de slag is. Met zware pikhouwelen kappen ze onafgebroken in het zout, en ze doen dat van zes uur ‘s ochtend tot ‘s middags. Daarna maakt de hitte elke arbeid onmogelijk. Wanneer ze een tablet van ongeveer 6 kilo losgeklopt hebben, laden ze deze op een kameel. Op één dag kunnen ze ongeveer 10 kamelen laden. Een kameeldrijver brengt de karavaan vervolgens naar de markt van Berhale, vaak moet hij daarvoor de hele nacht doorstappen.

Dit is het ‘zout koninkrijk’ van de Afar en de manier van werken is al eeuwenlang hetzelfde. Ooit was zout een populair betaalmiddel in de Hoorn van Afrika en evenveel waard als goud. Vandaag is er al lang geen sprake meer van het ‘witte goud’ en brengt het goedje heel wat minder op. Desondanks is de zoutindustrie er nog steeds een belangrijke bron van inkomsten.

De Afar staan erom bekend de enige mensen te zijn die kunnen werken in de helse omstandigheden van Danakil, maar de gids vertelt een ander verhaal: “Deze mijnwerkers zijn geen Afar maar Tigré en zij werken in opdracht van de Afar. Dagelijks wordt uitgeloot wie aan het werk mag. De meeste blijven hier 10 maanden onafgebroken, om daarna terug naar hun dorp te gaan.” De mijnwerkers verdienen een habbekrats voor hun zware werk, amper 1 euro per dag.

Onze laatste dag in de Danakil Depressie zit er bijna op. We snakken naar een frisse douche en kleren die niet stijf staan van het zweet en zout. Danakil bleek mooier en intenser dan verwacht, maar ook afgrijselijk en absoluut mensonvriendelijk.

Straks vertrekken we naar het Simiengebergte, dat 2500 meter boven de zeespiegel ligt. Volgens de laatste berichten is het er momenteel flink aan het vriezen. Van een loden hitte op één van de diepste plekken op aarde naar de snijdende kou in de bergen, Ethiopië is zonder twijfel een land van extremen.

Wat je moet weten over reizen naar Danakil

Gewapende bescherming: Tijdens een reis door Ethiopië moet je er aan wennen dat je vaak verplicht bent gewapende escorte in te huren. Wij kregen ‘bescherming’ tijdens onze trip in de Danalik Depressie, tijdens onze trekking in het Siemiengebergte en gewoon zomaar onderweg. Vaak zijn het jonge kerels die nauwelijks Engels praten. Wij vroegen ons trouwens af of ze wel goed met hun oude machinegeweren overweg konden, ze liepen er mee rond alsof het speelgoed was. De meeste scouts zijn nogal zwijgzaam (niet moeilijk als je nauwelijks Engels spreekt) en blijven op de achtergrond. Maar allen zijn ze heel erg trots op hun wapen en vinden ze het geweldig om te poseren voor een foto, hun oude Kalasjnikov als een trofee voor zich houdend. Onze gids in Danakil vertelde dat het veelal om een mix gaat van militairen en lokale jongens die na een opleiding een paar jaar als scout tewerkgesteld worden. Op die manier kan ook de lokale bevolking een graantje meepikken van het toerisme.

Onze gewapende escorte tijdens de trip naar Danakil.

Beste tijd om naar Danakil te reizen: van november tot juni. De rest van het jaar is het er veel te heet.

Hoeveel kost een Danakil Depression Tour: sowieso moet je in groep reizen, hetzij als onderdeel van een georganiseerde groepsreis doorheen Ethiopië, hetzij via een professionele reisorganisatie in Ethiopië zelf waarbij je je kunt aansluiten. Reken op prijzen tussen de 250 – 600 dollar, afhankelijk van het aan dat dagen je in de Danakil Depressie wil verblijven (meestal 3 tot 5 dagen). Bij sommige organisaties is het mogelijk om op voorhand online te boeken, maar over het algemeen is het goedkoper om dat ter plekke te doen.

Welke accomodaties zijn er? Weinig tot geen. Er zijn geen toiletten en geen douches, in het beste geval is er een emmer water beschikbaar. Slapen doe je in openlucht, op houten bedjes of op de grond. Er is geen elektriciteit. ’s Avonds wordt er wel gekookt: verwacht je aan heel eenvoudige stoofpotjes met rijst.

Meeliften met een zouttruck.

Is de Danakil Depresse veilig? In het verleden waren er incidenten waarbij toeristen ontvoerd en gedood werden, de laatste dateert van 2017. De incidenten worden toegeschreven aan de Afar Revolutionary Democratic Front Militia, rebellen die ijveren voor een onafhankelijk Afar. (*)

Hoe geraak je er? Alle tours starten in Mek’ele. Ethiopian Airlines biedt vluchten aan vanuit Addis Abeba naar Mek’ele, vanuit diverse steden in Ethiopië zijn er geregelde busverbindingen. Je kunt ook met een aantal mensen een wagen met privé chauffeur delen, en soms voorziet de reisorganisatie zelf vervoer naar Mek’ele. Het makkelijkst is natuurlijk wanneer je reist in groep.

Wat moet je meenemen tijdens je trip naar Danakil? Een hoofdlamp (onmisbaar, het is er stikdonker en er is geen elektriciteit), jasje, lakenzak of lichte slaapzak, badpak, handdoek, snacks en koekjes, vochtige doekjes (er is geen gelegenheid om je te wassen), goede zonnebril, zonnehoed, sjaal (als bescherming tegen de zon en bij een eventuele zandstorm), fooi voor de bewakers, je camera en een opgeladen powerbank die het een paar dagen kan uithouden. Draag comfortabele en lichte kleren die tegen een stootje kunnen; je zal er drie tot vijf dagen zowel in leven als in slapen (veel ruimte voor bagage is er niet in de jeep, probeer alles in een dagrugzak te proppen). Voor Dallok zijn stevige stapschoenen noodzakelijk, voor de zoutvlaktes volstaan goede stapsandalen.

Moet je fit zijn om Danakil te bezoeken? Een beetje conditie hebben, kan beslist geen kwaad. Weet dat het één van de meest afgelegen plaatsen op aarde is en dat de temperaturen er heel hoog kunnen oplopen. Bij een ongeval of ziekte is het moeilijk om vlug medische hulp te vinden. Bedoeling is dat je minstens met twee jeeps door de Danakil Depressie reist; bij pech is het heel lang wachten op hulp (als die al mogelijk is), een tweede jeep die mee reist is een extra verzekering.

De kameelkaravaan onderweg naar Berhale.

Onze route:

  1. Mek’ele
  2. Berhale
  3. Hamed Ela
  4. Lake Assal/Lake Karum
  5. Dallol

(*) Update december 2020: wij reisden in december 2019 en januari 2020 door Ethiopië en ondervonden geen problemen. Echter, sinds deze zomer wordt reizen naar de Tigray en Afar regio’s (precies daar waar de Danakil Depressie gelegen is) ten strengste afgeraden vanwege ernstige militaire conflicten. Hoe mooi en bijzonder ook, de Danakil Depressie is absoluut te mijden. De lokale bevolking zit ook niet te wachten op toeristen, wel op humanitaire hulp. Surf naar diplomatie.belgium.be voor een laatste stand van zaken.

Send this to a friend